Techniek | OOL
Onderzoekend en ontwerpend leren

Balans  |  groep 3-4-5

Vóór les 1
• In de klas of gymlokaal / ca. 10 minuten / instructie voor de groepsleerkracht onder het filmpje.
•Let op: het is een balansoefening. Zorg voor een veilige omgeving (i.v.m. eventueel omvallen).

Als groepsleerkracht begeleid je deze les. De twee activiteiten staan uitgelegd in het filmpje. 
Het wordt aangegeven als de kinderen met de activiteit kunnen beginnen (filmpje kan dan op 
pauze). 


Het is verstandig om eerst zelf het filmpje te bekijken en daarna de activiteiten met de kinderen te doen.
 

Bespreek/evalueer 

Als je niet in evenwicht bent val je om. Bij een breed steunpunt kun je makkelijker in evenwicht blijven dan bij een smal steunpunt. Om in evenwicht te blijven gebruikt je lichaam je armen, benen en billen om je gewicht gelijk te verdelen. 

 

Let op:

De grove motoriek van de leerlingen is nog volop in ontwikkeling en er zal veel diversiteit zijn in de uitvoering van de verschillende oefeningen. Het gaat erom dat de leerlingen evenwicht ervaren.

Krachten en beweging  |  groep 6-7-8

Tussen les 3 en 4
• In de klas / ca. 20-30 minuten / instructie voor de groepsleerkracht onder het filmpje.
• Materiaal: gewoon papier, stiften.

Als groepsleerkracht begeleid je deze les. De activiteit staat uitgelegd in het filmpje. 
Het wordt aangegeven als de kinderen met de activiteit kunnen beginnen (filmpje kan dan op 
pauze). 

Vraag, aan de kinderen die al in de les zijn geweest, tijdens het bekijken van het filmpje om in hun eigen woorden te vertellen wat ze daar geleerd en gedaan hebben.
'Wat heb je geleerd over zwaartekracht?' 'Waarom zie je in het filmpje een bowlingbal en een veer?' 'En waarom heeft die veer niets met veerkracht te maken..?'


Laat ze in de opvolgende techniekles hun tekening meenemen. 



Na les 4 
Presenteren en reflecteren in de klas
• Korte pitch 'Wat heb je gemaakt?'
• Laat de kinderen reflecteren op hun proces. Gebruik daarbij deze digitale [REFLECTIE TOOL].

Je hoeft niet alle vragen te stellen. Wissel het af tussen de leerlingen. Focus is op het proces en niet op het product.

Voorbeeld:
'Heb je oplossingen 
bedacht?' Dan kan de leerling antwoorden: 'Veel; vier lampjes.' of: 'Weinig; één lampje.' Niets (geen lampje) is ook mogelijk. Het gaat nml. niet over goed of fout, maar hoe ze hun werkproces hebben ervaren (zelfreflectie).